Terug naar artikelen

Week 37: Wat waren we ook alweer aan het doen?

Een week waarin ik ontdekte dat meer agents tegelijk niet meer werk oplevert, maar minder overzicht — en waarom ik mezelf een limiet van twee heb opgelegd.

Joop Snijder

Joop Snijder

Head of AI bij Info Support

Halverwege de week stelde ik een vraag die ik nooit had willen stellen. Ik keek naar een scherm vol terminals, elk met een agent die ergens aan werkte, en ik vroeg: “Wat waren we ook alweer aan het doen?”

Niet aan de agent. Aan mezelf.

Dat is het moment waarop je weet dat je ergens een verkeerde afslag hebt genomen. Ik had die dag te veel agents tegelijk open staan, en het voelde alsof ik voor het eerst in dit experiment de rem moest zoeken in plaats van het gaspedaal.

Zes agents, één hoofd

De aanleiding was simpel genoeg. Er lagen veel losse taken klaar — een deploybug, een paar gastpagina’s die niet klopten, wat opruimwerk in de documentatie — en die zijn onafhankelijk van elkaar. Perfect om parallel te draaien, dacht ik. Dus startte ik er een. En nog een. En nog een paar.

Wat ik onderschatte, is dat die agents niet in gescheiden werelden leven. Sommige waren in dezelfde worktree aan het editen, waardoor ze elkaar in de weg zaten en sessies eindeloos gingen duren. Een van hen schreef bestanden weg in mijn hoofdcheckout in plaats van in zijn eigen tak. Ondertussen bewoog de hoofdlijn ook nog eens onder mijn voeten, met nieuwe conflicten in precies de bestanden waar ik aan werkte.

Er was ook een terugkerend probleem dat ik nooit helemaal heb kunnen thuisbrengen: twee keer achter elkaar zette iets core.bare in mijn git-configuratie op true, waarmee alle werkboomoperaties blokkeerden. De meest waarschijnlijke verklaring is de worktree-machinerie van een parallelle sessie. Bewijzen kon ik het niet, en dat is precies het punt: met zes processen die tegelijk in dezelfde repository graven, is er geen manier meer om te reconstrueren wie wat gedaan heeft.

De rekensom klopte gewoon niet. Zes agents leverden niet zes keer zoveel werk op, maar een fractie daarvan plus een middag opruimen.

De rem die ik zelf moest bouwen

Ik heb er drie afspraken uit gedestilleerd, en ze zijn alle drie saai. Dat is meestal een goed teken.

  1. Agents draaien voortaan verplicht in een eigen worktree, zonder overlap. Geen twee processen meer in dezelfde map.
  2. Maximaal twee coding agents tegelijk. Niet omdat de machine het niet aankan, maar omdat ik het niet aankan.
  3. Elke sessie krijgt een herkenbare naam via /rename en een eigen kleur via /color.

Dat laatste voelde als een cosmetisch trucje toen ik het bedacht, en het bleek de grootste winst. Naam en kleur samen maken direct zichtbaar wie waarmee bezig is, en context switchen tussen twee gekleurde sessies kost me nu een seconde in plaats van een halve minuut zoeken. Een bijkomend voordeel: moet ik een sessie opnieuw opstarten, dan gebruik ik die naam in plaats van de lange code die Claude Code zelf verzint.

Het werk dat wél aandacht kreeg

Tegenover die versnippering stond werk waar ik juist volledig in zat, en het contrast was leerzaam. Aan mijn boek over AI-kostenbeheersing werkte ik met één sessie tegelijk, en daar ging het over formuleringen die je alleen ziet als je er echt bij bent.

Ik heb zeven hoofdstukopeningen omgedraaid: van terugblik naar haak. Dat idee komt uit Made to Stick van de gebroeders Heath, die het mysterie-principe van Cialdini bruikbaar maken voor gewone tekst. Een opening die het antwoord uitstelt, opent een kennisgat dat de lezer wil dichten. Wat ik daarbij leerde: dat werkt alleen wanneer het hoofdstuk ook echt een contra-intuïtieve uitkomst bevat én die ontknoping in dezelfde tekst staat. Beloof je een raadsel dat je niet oplost, dan ben je gewoon vaag aan het doen.

Ik heb ook twee spreuken geschreven, waarvan er één de openingspagina van het boek werd. De sterkste varianten lenen hun vorm van bestaande gezegdes — spiegeling, omkering, tegenstelling — maar vermijden vakjargon, zodat ze ook buiten het vakgebied blijven werken.

Verderop in de week bouwde ik zes foutpagina’s voor de podcastsite, met per foutcode een eigen concept. De 404 werd “de hallucinatie”: een verzonnen aflevering die zelfverzekerd in beeld wordt getypt en dan wordt afgestempeld als verzonnen. De 403 speelt met het verschil tussen kunnen en mogen, wat toevallig ook de kern van AI-governance is. Dat is het soort werk waar een agent me niet in kan vervangen, en waar ik ook niet vervangen wíl worden.

Wat het met mij deed

De vraag “wat waren we ook alweer aan het doen” bleef de rest van de week aan me knagen.

Ik heb dit hele experiment opgezet vanuit de aanname dat de agents de beperkende factor zijn. Betere prompts, scherpere reviews, striktere gates. Deze week bleek dat ik zelf de bottleneck ben, en dat is een ongemakkelijker inzicht dan alle bugs die ik dit jaar heb gevonden. De machine schaalt prima. Mijn aandacht niet.

Het leverde ook een spiegel op. Ik schrijf regelmatig over de vraag of organisaties AI wel doordacht inzetten, en daar stond ik dan zelf, zes processen diep, zonder te weten wat de helft ervan aan het doen was. Zoiets kun je pas echt begrijpen wanneer je het zelf doet, en het maakt me een stuk preciezer in wat ik anderen erover vertel.

Wat me verraste, is hoe opgelucht ik me voelde nadat ik de limiet had ingesteld. Ik verwachtte spijt over de verloren snelheid. Maar met twee sessies weet ik weer waar ik ben. Ik lees mee, ik stuur eerder bij, ik hoef achteraf minder te repareren. De week erna leverde minder parallelle takken op en meer afgemaakt werk.

Het patroon

Parallellisme is niet gratis. De kosten zitten niet in rekenkracht, want die is er in overvloed, maar in de aandacht die nodig is om al die takken bij elkaar te houden. Bij twee agents kan ik zelf de integratie doen. Bij zes ben ik de integratie kwijt en blijft er een berg werk over die ik niet heb zien ontstaan.

Wat me het meest bezighoudt: de verleiding om er nog een agent bij te zetten is groot, omdat elke individuele start voelt als winst. De kosten verschijnen pas een uur later, en dan als een vaag gevoel van verdwalen in plaats van als een foutmelding.

Daarom heb ik het maximum niet als richtlijn maar als regel opgeschreven. Bij een richtlijn zou ik mezelf elke keer opnieuw overtuigen dat déze taak echt de zevende agent rechtvaardigt. De enige plek waar ik die beslissing goed kan nemen, is vooraf — niet op het moment dat het gaspedaal onder mijn voet ligt.


Deze blogpost is geschreven met AI-ondersteuning op basis van mijn dagelijkse journals en Claude Code sessiesamenvattingen uit het “365 Days of AI Code” experiment.

Head of Research Center AI bij Info Support. Ik schrijf over AI-strategie, AI-agents en de praktische implementatie van AI in organisaties.